We noemen het HaaS, want dan is het geen HuuR. Of toch wel..?
Hardware als dienst
HaaS (hardware as a service) en varianten daarop, zoals DaaS (device as a service), zijn populaire vormen van het beschikbaar stellen van hardware. Van zware servers tot laptops, tablets, smart phones, netwerkapparatuur en PC’s en alle andere IT “spullenboel” daartussenin (ik noem dat hierna gemakshalve allemaal “hardware”). Met “as a service” wordt bedoeld dat de hardware in een servicemodel wordt aangeboden. In de cloud of on premise. Bij HaaS en DaaS krijgt de klant tegen betaling van periodieke vergoedingen gedurende een bepaalde periode, bijvoorbeeld 3 of 5 jaar of bijvoorbeeld voor de duur van een bepaald project, bepaalde hardware voor gebruik ter beschikking. Daar worden dan onderhouds-en ondersteuningsdiensten bij geleverd, soms updates beschikbaar gesteld en reparatiediensten en vergelijkbare andere diensten geboden. En er wordt software beschikbaar gesteld die onderdeel uitmaakt van de hardware. Lagere opstartkosten, up-to-date houden van hardware en minder intern beheer worden voor de afnemer als voordeel gezien. Voorspelbare maandelijkse kosten worden voor zowel leverancier als afnemer als voordeel gezien. Bij contracten voor langere tijd wordt soms ook een vervangingsservice (of refresh) afgesproken zodat de afnemer steeds over het nieuwste model van een bepaald type kan beschikken.
De contracten hebben het woord services of diensten in de naam zoals “Master Services Agreement”, “Raamovereenkomst Clouddiensten”, HaaS-overeenkomst.
Operational en financial lease
Contracten voor het tijdelijk beschikbaar stellen van hardware en die nog “gewoon” “leaseovereenkomsten” worden genoemd, bestaan al langere tijd. Daarbij zijn twee smaken gangbaar: operational lease en financial lease. Financial lease is juridisch te kwalificeren als huurkoop (na betaling van alle verschuldigde termijnen, gaat de eigendom over naar de lessee); operational lease als huur (hardware is en blijft eigendom van de lessor en het lease object gaat na afloop ook terug naar lessor.) Bij operational lease strekken de vergoedingen niet tot verkrijging van eigendom en als de lessee alsnog de eigendom wil, kan hij die tegen extra betaling geleverd krijgen. Eigenlijk net als bij huurauto’s. Of wasmachines. Of bakfietsen.
Hoe verhoudt HaaS zich tot deze vormen van lease?
De bijzondere overeenkomsten
De wet onderscheidt een aantal (benoemde) bijzondere overeenkomsten, waar specifieke spelregels voor gelden, waar in B2B vaak wel (regelend recht), maar soms niet (dwingend recht) van mag worden afgeweken. Doorgaans heeft de wetgever bij dat type overeenkomsten beoogd de zwakkere partij te beschermen. Benoemde bijzondere overeenkomsten zijn bijvoorbeeld agentuur, arbeidsovereenkomst, koopovereenkomst, huurovereenkomst en overeenkomst van opdracht. Een licentieovereenkomst daarentegen is niet in de wet benoemd; wat partijen daarover willen afspreken, kunnen ze dus helemaal zelf bepalen (binnen de grenzen van het (auteurs)contractenrecht). Bij de benoemde bijzondere overeenkomsten is bepalend of de overeengekomen rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving. Het is niet van belang of partijen ook hebben gewild dat hun afspraken onder een bepaalde wettelijke regeling te laten vallen. Als uit de afspraken blijkt dat er sprake is van koop of een arbeidsovereenkomst, of huur, of agentuur, heeft het geen effect als partijen in de overeenkomst zetten dat het om wat anders gaat.
Wanneer is sprake van “huur” en van een “overeenkomst van opdracht”?
De wet definieert “huur” als ‘een overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich aan de andere partij, de huurder, verbindt een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie’ (artikel 7:201 lid 1 BW). Servers, tablets, laptops, desktop, zijn zaken. Software is geen zaak in de zin van artikel 3:2 BW (bij embedded software kan dan anders liggen) aangezien het niet voldoet aan het stoffelijkheidsvereiste, maar wel een vermogensrecht. Een vermogensrecht kan echter ook onderwerp van de huur zijn ‘zolang (…)de aard van het recht zich daartegen niet verzet’ (artikel 7:201 lid 2 BW). Vermogensrechten worden in artikel 3:6 BW onder andere gedefinieerd als: ‘Rechten die (…) ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen (…).’
Een huurovereenkomst is vormvrij. Er bestaan geen nadere bepalingen waar een overeenkomst aan moet voldoen om te worden aangemerkt als een huurovereenkomst. Uit de rechtspraak volgt dat het begrip huur in verband met de strekking van de huurrechtbepalingen (bescherming huurder) ruim moet worden geïnterpreteerd.
Bij huur is het niet noodzakelijk dat de huurder de volledige macht over het gehuurde krijgt, maar slechts dat hij beschikking krijgt voor zover nodig is om het overeengekomen genot te kunnen hebben. Tot het wezen van huur behoort niet dat de huurder een onbeperkte gebruiksbevoegdheid wordt gegeven. Hij moet slechts voldoende gebruiksbevoegdheid hebben om het overeengekomen genot van het gehuurde te hebben.
In de wet (artikel 7:400 BW) wordt een overeenkomst van opdracht gedefinieerd als een “overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.” Onderhoud en ondersteuning zijn diensten die onder deze definitie vallen, net als inrichting, implementatie en monitoring van systemen.
Voorwerp van een HaaS-overeenkomst
Voorwerp van overeenkomst bij HaaS is het tegen betaling in een bepaald gebruik (bijvoorbeeld op een bepaalde locatie en gedurende een bepaalde periode) beschikbaar stellen van hardware. Na afloop van de overeengekomen duur moet de hardware terug naar de leverancier. Eigendom gaat niet over. Dit voorwerp van overeenkomst kwalificeert – letterlijk – als huur. Als de hardware als clouddienst wordt aangeboden, is dat niet anders. De hardware staat dan niet on-premise bij de klant, maar ergens in een datacenter waar de klant via internet het gebruik van krijgt.
De bijbehorende besturingssoftware en andere software om die hardware te laten functioneren, wordt “gelicentieerd”; auteursrechten worden niet overgedragen, maar er wordt een (tijdelijk) gebruiksrecht verleend om de software te mogen gebruiken. Een licentieovereenkomst is een onbenoemde overeenkomst (zij het dat SaaS naar mijn mening ook kan kwalificeren als huur).
Verder worden vaak diensten (= overeenkomst van opdracht) verleend zoals installatie, onderhoud en ondersteuning; soms ook het bijhouden van het gebruik en bijvoorbeeld capacity – en buffer management. Een “gemiddelde” HaaS “- overeenkomst voldoet dus aan twee door de wet geregelde bijzondere overeenkomsten, huur en opdracht, en één onbenoemde de overeenkomst: licentie. Het geheel wordt dan tot “Services Agreement” of “Diensten- overeenkomst” o.i.d. gebombardeerd. Is dat terecht?
Als je een auto huurt, waarin een navigatiesysteem zit (software) en het verhuurbedrijf een instructie geeft, de gereden kilometers bijhoudt, advies geeft over de snelste of juist kortste route (diensten) en hulp biedt bij pech onderweg (diensten), zal iedereen het erover eens zijn dat het voorwerp van overeenkomst huur is. (Misschien dat de nieuwste generatie auto’s meer het licentieren van software is, met een verpakking omdat je toch ergens moet zitten, maar dat vraagt een andere beschouwing voor een ander blog). Dus: eerst uitleggen (“Haviltexen”), dan kwalificeren (zie ook HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167, rov. 3.1.2). Wat betekent dit voor een HaaS-overeenkomst?
Gemengde overeenkomsten
Wanneer een overeenkomst, zoals de HaaS-overeenkomst, meer dan één benoemde overeenkomst behelst (“samenloop”), gelden beide wettelijke spelregels naast elkaar (de “combinatietheorie”), tenzij dat tot een onverenigbare uitkomst leidt of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst (in dit geval: de HaaS-overeenkomst) zich tegen toepassing verzet (artikel 6:125 BW). Dan zal – uiteindelijk door een rechter – middels uitleg bepaald moeten worden welke bepalingen in het concrete geval dienen te prevaleren. Dat kan zelfs meebrengen dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing worden verklaard (HR 10 maart 2017; ECLI:NL:HR: 2017:405, Groeneveld/Staat).
De bepalingen van dwingend recht van de overeenkomst van opdracht, zijn ter bescherming van een opdrachtgever-natuurlijk persoon en verder alleen ter zake de verjaringstermijn voor een rechtsvordering tot de afgifte van stukken door de opdrachtnemer.
Deze bepalingen kunnen m.i. prima bestaan naast de bepalingen uit de huurovereenkomst.
Het is ook nog mogelijk dat een overeenkomst strikt genomen valt onder de omschrijving van een in de wet benoemde bijzondere overeenkomst, maar dat die overeenkomst in het geheel beschouwd toch niet als zodanig moet worden gekwalificeerd, gegeven de omstandigheden van dat geval en gelet op de inhoud en strekking van die overeenkomst (de “alsgeheeltoets”)(HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167, rov 3.1.2).
Is HaaS geen HuuR omdat het HaaS wordt genoemd?
Nee. Het tegen betaling in gebruik verstrekken van hardware is huur, ook al wordt het “HaaS” genoemd. De diensten kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Er is dus in ieder geval sprake van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW, met nog als derde element: de licentie (als het geheel van hardware en software al geen huur is omdat de software uitsluitend dienstig is aan het functioneren van de hardware). Zowel het regime van de overeenkomst van opdracht, als van de huurovereenkomst zijn dan van toepassing op de HaaS-overeenkomst. Zoals hiervoor toegelicht geldt dat dubbele regime niet, wanneer de bepalingen van de overeenkomst van opdracht en van huur onverenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst (de HaaS-overeenkomst) zich tegen toepassing verzet. Dan moet de rechter via uitleg van de gehele overeenkomst gaan bepalen, welke bepaling prevaleert. Mijns inziens zijn de diensten zoals hiervoor omschreven, “dienstig” aan het beschikbaar (operationeel) houden van de hardware zodat in geval van tegenstijdigheid, de huurbepalingen prevaleren. Een HaaS-overeenkomst is op de keeper beschouwd een overeenkomst op grond waarvan partijen beogen hardware zaken tegen betaling in gebruik te geven en werkend te houden op een niveau dat alleen de verhuurder kan realiseren (anders zou de afnemer immers ook huurgenot derven). De software (het navigatiesysteem) en de diensten (uitleg en hulp bij pech onderweg), lijken mij daar ondergeschikt aan te zijn.
Wat als HaaS, HuuR is?
Wanneer een HaaS – overeenkomst, geheel dan wel alleen voor de hardware, als een huurovereenkomst moet worden gekwalificeerd zijn de bepalingen van afdeling 2-4 van de huurtitel (titel 4, boek 7, artikel 201 en verder) van toepassing. Allereerst is het dan van belang om te constateren dat artikel 7:209 BW bepaalt dat van een aantal bepalingen aangaande “gebreken” in het gehuurde niet ten nadele van de huurder mag worden afgeweken: artikelen 7:206 leden 1 en 2, 207 en 208 BW. Die artikelen gaan over de plicht tot het verhelpen van gebreken, de gevolgen van de vermindering van het huurgenot en schadevergoeding.
Een gebrek wordt in artikel 7:204 BW gedefinieerd als: ‘een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.’ Het derven van huurgenot, levert dus een gebrek op. Huurgenot beperkt zich niet tot emotionele last als, geluidsoverlast, maar strekt zich meer algemeen uit tot de prestaties die verhuurder krachtens de overeenkomst (en de wet) verschuldigd is te leveren: het ter beschikking stellen voor het overeengekomen gebruik. Dat betekent in ieder geval dat het gehuurde de eigenschappen moet hebben die zijn overeengekomen en verwacht mogen worden bij normaal gebruik (de conformiteit) (artikel 7:204 lid 2). Denk bij de huur van hardware aan het operationeel houden van de hardware, het beveiligen tegen onrechtmatig gebruik. Het derven van het huurgenot levert een gebrek op (mits dat niet aan huurder is toe te rekenen uiteraard).
Artikel 7:206 lid 1 BW stelt vervolgens dat de verhuurder op verlangen van de huurder verplicht is gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die redelijkerwijs niet van de verhuurder kunnen worden verlangd. Ongeacht de bepalingen in de HaaS-overeenkomst, geldt dus dat zodra een afnemer (huurder) klaagt over een gebrek (in de zin van de huurwet), de verhuurder verplicht is dit gebrek te verhelpen en daar alleen niet toe verplicht is, indien dat onmogelijk is of uitgaven vereist die redelijkerwijs niet kunnen worden verwacht. Volgens de parlementaire geschiedenis kan dit ‘verlangen’ van de huurder overigens al blijken uit een informele kennisgeving van het gebrek aan de verhuurder. Een consequentie daarvan is dat de aansprakelijkheid van de huurder voor schade als gevolg van het niet verhelpen van gebreken kan intreden zonder ingebrekestelling (waarvoor ingevolge art. 6:82 BW een schriftelijke aanmaning vereist is, waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld). Er is al sprake van niet-nakoming van de in artikel 7:206 lid 1 BW omschreven verplichting, wanneer een gebrek niet hersteld is nadat het ‘verlangen’ daartoe kenbaar is gemaakt. Dit geldt overigens niet voor zogenaamde kleine gebreken welke de huurder verplicht is zelf te herstellen op grond van artikel 7:206 lid 2 BW jo 7:217 BW.
Artikel 7:207 BW stelt dat, in het geval van vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek in het gehuurde, een daaraan evenredige vermindering van de huurvergoeding mag worden gevorderd. De huurvergoeding mag verminderd worden vanaf de dag dat de huurder de verhuurder op de hoogte heeft gesteld van het gebrek of vanaf de dag dat waarop het gebrek reeds voldoende bekend was om tot maatregelen over te gaan tot op de dag dat het gebrek is verholpen. Een huurder mag dan dus de huurvergoeding aanpassen naar de omvang van het gebrek.
Artikel 7:208 BW regelt tot slot de verschuldigde schadevergoeding in geval van een gebrek in het gehuurde. Een verhuurder is in drie gevallen verplicht de door het gebrek veroorzaakte schade te vergoeden:
- het gebrek is na het aangaan van de overeenkomst ontstaan en is aan de verhuurder toe te rekenen.
- het gebrek was bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig en de verhuurder kende of behoorde het gebrek te kennen.
- het gebrek was bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig en de verhuurder heeft op enig moment aan de huurder te kennen gegeven dat de hardware het gebrek niet had.
De artikelen 7:207 BW en 7:208 BW zijn van dwingend recht voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of behoorde te kennen. Hiervan mag niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Aansprakelijkheidsbeperkingen voor gebreken in hardware en voor de schade voortvloeiend uit deze gebreken zijn vrij gebruikelijk in HaaS-overeenkomsten. Of deze clausules ook de beoogde werking hebben, is een ander verhaal… Als de huurtitel van toepassing is op (het huur-deel van de) HaaS-overeenkomst dan kunnen dergelijke clausules in strijd zijn met dwingende wetsbepalingen en gelden ze niet.
Jurisprudentie
Uit de jurisprudentie blijkt nog een ander gevolg van de kwalificatie van een (deel van de) HaaS-overeenkomst als huurovereenkomststaat en dat gaat over het recht van huurder om de overeenkomst te ontbinden en over de vraag of er sprake moet zijn van verzuim.
In verschillende uitspraken heeft de rechter bepaald dat overeenkomsten welke voortdurende en constant opeisbare verplichtingen inhouden (zoals huurovereenkomsten), in het geval van een tekortkoming in de nakoming ervan voor wat betreft de verhuurder, door de huurder kunnen worden ontbonden, ook zonder dat er sprake is van verzuim, tenzij deze tekortkoming van een zo geringe betekenis is dat deze de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt (zie recent nog de conclusie van AG van Peursem; ECLI:NL:PHR:2026, 428, 24 april 2026, overweging 3.24 e.v. Skellett/ ODS). De redenering is dan in geval van een huurovereenkomst: er bestaat voor de verhuurder een voortdurende verplichting om huurgenot te verschaffen (voor huurder gelden er telkens aflopende verplichtingen, namelijk de periodieke betalingen). Indien de verhuurder in zijn verplichting tot het verschaffen van huurgenot tekortschiet (door bijvoorbeeld een gebrek) dan kan deze verplichting in de toekomst nog wel worden nagekomen door het gebrek te verhelpen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt. Wat betreft de tekortkoming in het verleden is nakoming niet langer mogelijk. Dit brengt mee dat, nu de tekortkoming niet langer hersteld kan worden, ontbinding van de overeenkomst mogelijk is zonder dat er sprake is van verzuim. Dat is dus een belangrijk recht van de huurder. Vertaalt men dit naar HaaS dan ontstaat de situatie dat, in het geval van een voldoende ernstig gebrek in het functioneren en/of de beschikbaarheid van de hardware, de afnemer de HaaS-overeenkomst zonder ingebrekestelling kan ontbinden. Dit ongeacht eventuele andere afspraken tussen de partijen.
In de zaak waar de AG van de Hoge Raad recent zijn conclusie over heeft genomen, gaat het ook over de vraag hoe het in zo een geval (bij doorlopende verplichtingen waar het verleden niet meer te herstellen is, maar de toekomst nog wel) zit met het recht op schadevergoeding. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van art. 6:74 BW en art. 6:81 BW. Daarbij is van belang of er sprake is van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid tot nakoming en of en hoe verzuim nodig is en hoe verzuim dan ontstaat (met of zonder ingebrekestelling). De hoofdstroming lijkt te zijn (zie rov. 3.27 t/m 3.29 in de conclusie van de AG in bovengenoemde zaak) dat sprake is van een blijvende onmogelijkheid tot nakoming omdat de duurverbintenis nooit meer compleet kan worden nagekomen. Verzuim is dan niet nodig. Als de redenering zou zijn dat verleden en heden in één en dezelfde overeenkomst wel uit elkaar getrokken kunnen worden en dat de overeenkomst naar de toekomst toe nog kan worden nagekomen, daarvoor een ingebrekestelling en verzuim nodig is. Even wachten dus nog op het arrest van de Hoge Raad in deze zaak.
Bevoegde rechter
Nog een laatste “dingetje”: als er sprake is van huur, is de kantonrechter bevoegd (artikel 93 sub c, Rv) (behalve in kort geding, dan kan eiser kiezen).
Conclusie
De huurwet zal menig HaaS-overeenkomst doorkruisen en tot ongewenste (voor verhuurder) of juist onverwachte meevallers (voor huurder) kunnen leiden. Kijk er dus nog eens goed naar?
Heeft u vragen, neem dan contact op met Hanneke Slager (j.slager@cslaw.nl), Sara van Mourik (s.vanmourik@cslaw.nl) of Kyong Soon Rijnders (k.s.rijnders@cslaw.nl).

