Aandeelhoudersovereenkomsten: contractueel afwijken van wet/statuten mag?

 in Ondernemingsrecht

Notarissen en juristen zijn verdeeld over de vraag of aandeelhoudersovereenkomsten rechtsgeldige bepalingen kunnen bevatten die afwijken van hetgeen dwingendrechtelijk door de statuten is voorgeschreven. Een aantal van hen menen dat niet is toegestaan: als de wet dwingendrechtelijk een regeling voorschrijft waarvan in de statuten niet kan worden afgeweken, dan zou het partijen evenmin vrijstaan hiervan bij contract af te wijken, zo is een veelgehoorde opvatting. De andere opvatting is gebaseerd op het uitgangspunt van contractsvrijheid: contractueel afwijken van wettelijke regelingen die voor de statuten gelden mag.

De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen (23 oktober 2009, NJ 2010, 4) waarbij sprake was van een gedwongen uitstoting van een aandeelhouder. In de wet is in artikel 2:195a BW bepaald dat de statuten kunnen bepalen dat in de statuten opgenomen gevallen, een aandeelhouder verplicht kan worden zijn aandelen aan te bieden aan de overige aandeelhouders. Daarbij bepaalt de wet dwingendrechtelijk dat de statutaire regeling zodanig dient te zijn dat de aandeelhouder een prijs voor zijn aandelen ontvangt, die gelijk is aan de waarde van de over te dragen aandelen vastgesteld door een of meer onafhankelijk deskundigen.

Bij overeenkomst waren de betrokken aandeelhouders overeengekomen dat in afwijking van de dwingendrechtelijk voorgeschreven statutaire regel met betrekking tot de waardebepaling van de aandelen, bij gedwongen verkoop een prijs ontvangen zou kunnen worden, minder dan de waarde van de aandelen.

In deze zaak was derhalve sprake van een aandeelhoudersovereenkomst waarin een regeling was opgenomen waarbij afgeweken werd van de dwingend rechtelijke bepaling die voor een statutaire regeling geldt en die de positie van de aandeelhouder die zijn aandelen moest aanbieden verslechterde. De Hoge Raad kwam niet toe aan een juridische beoordeling van de zaak toe omdat zij meende dat er geen klachten waren opgevoerd die konden leiden tot cassatie. Het arrest van het Hof bleef van kracht in welk arrest het Hof geoordeeld had dat een afwijking bij overeenkomst was toegestaan.

Uit deze zaak volgt dat afwijking in een contractuele regeling tussen aandeelhouders van een voor statuten dwingendrechtelijk voorgeschreven regel is toegestaan. Een regeling die volgens de wet niet mag worden opgenomen in de statuten, mogen partijen wel onderling in een overeenkomst opnemen. Vanwaar nu dit verschil? De reden hiervoor is – zo blijkt ook uit de redenering van de advocaat-generaal van de Hoge Raad – dat de statuten ook tegen de zin van een aandeelhouder een regeling kunnen inhouden terwijl de aandeelhouder altijd moet instemmen met een contractueel voorgestelde regeling. Anders gezegd: de aandeelhouder kan bij overeenkomst niet tegen zijn zin worden gebonden, bij de statuten wel zodat in dat laatste geval een wettelijke bescherming nodig is. Voorwaarde hierbij is wel dat er sprake is van een welbewust afwijken van de statuten en dat de contractuele regeling duidelijk concreet omschreven is.

Met deze zaak is duidelijk geworden dat daar waar bij statuten niet afgeweken mag worden van de wet, dit in beginsel wel kan met het sluiten van een aandeelhoudersovereenkomst. Het is aan de aandeelhouder niet akkoord te gaan met een contractuele regeling waar hij het niet mee eens is bij het aangaan van de overeenkomst. Zet hij zijn handtekening, dan is hij in beginsel gebonden aan hetgeen is overeengekomen ook wanneer de overeengekomen regeling strijdig is met een dwingendrechtelijke bepaling waarvan afwijking bij de statuten niet is toegestaan. Met de ondertekening van de overeenkomst heeft de aandeelhouder in feite afstand gedaan van zijn recht op een beroep op een wettelijke hem beschermende bepaling.
Het is goed dat contractuele vrijheid hoog in het vaandel staat. Indien de aandeelhouders gelijkwaardige partijen zijn, die goed op de hoogte zijn van de wet, de inhoud van de statuten en welbewust contractueel afstand doen van voor de statuten dwingendrechtelijk voorgeschreven bepalingen, komt het ook niet meer dan redelijk voor dat bij contract afgeweken moet kunnen worden. Die afwijking geldt immers alleen voor de betrokken partijen. Echter: in werkelijkheid zijn contractspartijen vaak niet gelijkwaardig en/of niet goed geïnformeerd en in die gevallen is het zuur dat deze aandeelhouders ondanks het zetten van een handtekening toch geen bescherming kunnen ontlenen aan een dwingendrechtelijk voorgeschreven bepaling. Advies is dan ook aan aandeelhouders: laat je goed informeren voordat je een handtekening plaats onder een aandeelhoudersovereenkomst.

Recent Posts

Plaats een reactie