Nokia Corp. tegen Joacim Wärdell

 in Ondernemingsrecht

Nokia Corp. is houder van het woordmerk Nokia dat als Zweeds nationaal merk en als gemeenschapsmerk is ingeschreven voor de waren “mobiele telefoons en accessoires”. Wärdell heeft vanuit de Filippijnen flash stickers ingevoerd. Dit zijn zelfklevers voor draagbare telefoons met een lichtdiode die knippert wanneer de telefoon rinkelt. Deze stickers bevatten echter het merk Nokia, zowel op de waren als op de verpakking. Volgens Wärdell komt dit door een productiefout van haar leverancier. Nokia dagvaard Wärdell op grond van mogelijke verwarring met het nationaal merk evenals gemeenschapsmerk van Nokia op verbeurte van dwangsom. In eerste aanleg wordt de vordering van Nokia toegewezen. Wärdell gaat echter in hoger beroep. De hogere instantie erkent de merkinbreuk eveneens en voegt daaraan toe dat een mogelijke inbreuk in de toekomst goed mogelijk zou zijn. Daarentegen wordt de dwangsom niet meer opgelegd. Reden daarvoor is dat Wärdell zich in het verleden niet aan merkinbreuk heeft schuldig gemaakt en in casu slechts nalatigheid kan worden verweten.

Nokia heeft beroep ingesteld, waarbij zij aangeeft dat het feit dat Wärdell een objectieve inbreuk op haar merkrecht heeft gemaakt, voldoende zou moeten zijn om een verbod onder dwangsom op te leggen.

Vervolgens worden er aan het Europese Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld over de betekenis van art. 98 lid 1 van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Deze bevestigen de vordering van Nokia:

  1. Het feit alleen dat het risico van voorzetting van de inbreuk of de dreigende inbreuk op een gemeenschapsmerk niet duidelijk aanwezig is of anderszins beperkt is, voor een rechtbank voor het gemeenschapsmerk geen speciale reden vormt om de gedaagde voortzetting van deze handelingen niet te verbieden.
  2. De omstandigheid dat het nationale recht voorziet in een algemeen verbod van inbreuk op de gemeenschapsmerken en in de mogelijkheid om strafsancties op te leggen in geval van voortzetting van de inbreuk of de dreigende inbreuk, met opzet of uit grove nalatigheid, voor een rechtbank voor het gemeenschapsmerk geen speciale reden vormt om de gedaagde voorzetting van deze handelingen niet te verbieden.
  3. Een rechtbank voor het gemeenschapsmerk die de gedaagde voorzetting van de inbreuk of de dreigende inbreuk op een gemeenschapsmerk heeft verboden, verplicht is om overeenkomstig het nationale recht maatregelen te nemen, om ervoor te zorgen dat dit verbod wordt nageleefd, zelfs indien dat recht voorziet in een algemeen verbod van inbreuk op de gemeenschapsmerken en in de mogelijkheid om strafsancties op te leggen in geval van voortzetting van de inbreuk of de dreigende inbreuk, met opzet of uit grove nalatigheid.
  4. Een rechtbank voor het gemeenschapsmerk die de gedaagde voortzetting van de inbreuk of de dreigende inbreuk op een gemeenschapsmerk heeft verboden, verplicht is om van de in het nationale recht voorziene maatregelen die te nemen welke ervoor zorgen dat dit verbod wordt nageleefd, zelfs wanneer deze maatregelen krachtens dat recht niet kunnen worden genomen bij een overeenkomstige inbreuk op een nationaal merk.
Recente berichten

Plaats een reactie

Top