GevelX versus Gevel+

 in Ondernemingsrecht

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter te Haarlem valt door het gebruik van de handelsnamen Gevelplus en Gevel+ verwarringsgevaar met de handelsnaam GevelX te duchten.

Eiseres dreef vanaf 1 februari 1998 een eenmanszaak onder de handelsnaam PVE Bouwmontage. Deze onderneming is op 28 november 2007 ingebracht in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Sindsdien voert de vennootschap de onderneming onder de handelsnamen ‘GevelX B.V.’ en ‘GevelX’. Eiseres houdt zich bezig met het leveren en monteren van geveldragers en muurankers, het aanbrengen van isolatiemateriaal en spouwafdichtingen en het uitvoeren van alle voorkomende stel- en regelwerkzaamheden. Zij is in heel Nederland actief.

Op 6 februari 2008 is gedaagde opgericht. Deze onderneming voert als handelsnamen ‘Gevelplus’ en ‘Gevel+’ en houdt zich bezig met de montage van geveldragers. Gedaagde is eveneens in heel Nederland actief.

Eiseres vordert gedaagde te bevelen om binnen twee weken na dagtekening van het te wijzen vonnis het gebruik van de handelsnamen ‘Gevelplus’ en ‘Gevel+’ te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts vordert eiseres dat gedaagde wordt veroordeeld in de daadwerkelijke kosten van het geding.

Eiseres heeft aan haar vordering in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat gedaagde door het voeren van de handelsnamen ‘Gevelplus’ en ‘Gevel+’ in strijd handelt met het bepaalde in artikel 5 Handelsnaamwet (hierna ook: Hnw). In de tweede plaats heeft zij aangevoerd dat gedaagde met het gebruik van deze handelsnamen aanhaakt bij het bedrijfsdebiet van eiseres en aldus onrechtmatig jegens haar handelt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de ondernemingen van beide partijen zich tot hetzelfde publiek wenden, te weten bouwbedrijven in geheel Nederland, en dat de aard van de ondernemingen van partijen grote overeenkomsten vertoont. Beide ondernemingen zijn actief op het gebied van gevelbeplating. Weliswaar is de aard van de werkzaamheden die gedaagde op dat gebied verricht beperkter dan van eiseres, maar door gedaagde is niet betwist dat de werkzaamheden van de beide ondernemingen concurrerend aan elkaar zijn.

Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat de handelsnamen ‘Gevelplus’ en ‘Gevel+’ slechts in geringe mate afwijken van de handelsnaam ‘GevelX’. Het eerste onderdeel van die handelsnamen, bestaande uit het woord ‘Gevel’ is exact gelijk aan elkaar. Ten aanzien van de handelsnaam ‘Gevel+’ is, voor wat betreft de opmaak sprake van slechts een gering verschil, nu het leesteken ‘x’ uit ‘GevelX’ – door dit visueel 45 graden te draaien – zich nagenoeg laat lezen als ‘+’. Voorts is het begripsmatig verschil tussen ‘X’, dat kan staan voor ‘extra’, en ‘+’, dat staat voor ‘plus’ beperkt. Op grond van dit alles is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door het gebruik door gedaagde van de handelsnamen ‘Gevelplus’ en ‘Gevel+’ verwarringsgevaar tussen de ondernemingen van partijen te duchten.

Gedaagde heeft onder andere aangevoerd dat er geen verwarringsgevaar te duchten is, omdat de afnemers van geveldragers, bouwbedrijven, door de vier producenten van geveldragers worden geadviseerd omtrent de onderneming die zij voor het aanbrengen van geveldragers moeten kiezen, en zij bij die keuze ook overigens deskundig te werk gaan. Door eiseres is betwist dat partijen met een zodanig gespecialiseerd publiek werken dat geen verwarringsgevaar bij de klanten van de beide ondernemingen valt te duchten. Gelet op deze betwisting, het feit dat gedaagde haar onderhavige stelling niet nader heeft onderbouwd en de, naar uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt, grote kring van bouwbedrijven waarmee partijen werken, kan dit verweer niet tot een ander oordeel leiden.

Gedaagde heeft voorts nog aangevoerd dat het woord ‘gevel’ beschrijvend is en de handelsnaam daarom niet kan worden beschermd. De voorzieningenrechter volgt gedaagde niet in dit betoog. Het woord ‘gevel’ is weliswaar beschrijvend voor de buitenmuur van een gebouw, maar niet voor de soort onderneming die partijen voeren. Van een zuiver beschrijvend element is dan ook geen sprake. Het feit dat, zoals gedaagde niet nader onderbouwd heeft gesteld, andere ondernemingen met dezelfde activiteiten eveneens het woord ‘gevel’ in hun handelsnaam voeren, maakt dat niet anders. Een handelsnaam behoeft geen onderscheidend vermogen te hebben om voor bescherming door de Handelsnaamwet in aanmerking te komen.

Gelet op het vorenoverwogene, handelt gedaagde met het voeren van haar handelsnamen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met het bepaalde in artikel 5 Hnw. De vordering is dan ook reeds op die grond toewijsbaar. Het feit dat sedert het moment dat gedaagde met het voeren van haar handelsnamen begon inmiddels de nodige tijd is verstreken, kan daarin geen verandering brengen, nu dit niet kan leiden tot de conclusie dat eiseres geen spoedeisend belang meer bij haar vordering heeft. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat eiseres, zoals zij onweersproken heeft gesteld, niet te snel maatregelen wilde nemen omdat tussen de directieleden van partijen sprake is van een familierelatie en eiseres voorts nog afhankelijk was, omdat deze gedaagde tot juni 2008 werkzaamheden voor eiseres uitvoerden.

Recente berichten

Plaats een reactie

Top