Nieuwe wet: betalingstermijnen aan banden gelegd

 in Ondernemingsrecht

Op 16 maart 2013 treedt de wet ter implementatie van de Europese richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties in werking. De wet heeft onder meer ten doel ervoor te zorgen dat binnen Europa overheidsinstanties alle facturen voor leveringen en diensten binnen een maand betalen en stelt maxima aan door ondernemingen en overheidsinstanties te hanteren betalingstermijnen….

Nieuwe wet: betalingstermijnen bij handelstransacties aan banden gelegd.

De wet ter implementatie van de Europese richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties treedt op 16 maart 2013 in werking. Tengevolge daarvan wordt artikel 6:119a BW, die ziet op betalingstermijnen en wettelijke rente tussen ondernemingen (B2B), gewijzigd c.q. aangevuld. Daarnaast treedt een nieuw artikel 6:119b BW, die ziet op betalingstermijnen en wettelijke rente tussen de overheid en ondernemingen, in werking.

Met deze richtlijn en de wettelijke implementatie daarvan beogen de Europese wetgever respectievelijk de nationale wetgever onder meer ervoor te zorgen dat binnen Europa overheidsinstanties alle facturen voor leveringen en diensten binnen een maand betalen. Daarmee wordt, onder meer, voorkomen dat (i) ondernemingen bij een uiteenlopende betalingsmoraal in de EU worden weerhouden om aan (grensoverschrijdende) aanbestedingen deel te nemen en (ii) ondernemingen door betalingsachterstanden in hun financiële beheer worden bemoeilijkt.

De wet geldt alleen bij handelstransacties. Daarmee wordt bedoeld: het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding. De wettelijke bepalingen gelden daarom niet bij transacties met consumenten of bij vorderingen tot schadevergoeding of andere betalingen.

De nieuwe wettelijke regeling bepaalt het volgende.

Invorderingskosten

Voor invorderingskosten geldt een minimumvergoeding van EUR 40. Invorderingskosten worden gelijkgesteld aan incassokosten zoals gedefinieerd in de Wet Incassokosten: de redelijke kosten voor de buitengerechtelijke invordering van de factuur. Daarmee krijgen ondernemingen een aanspraak op een minimum standaardvergoeding voor invorderingskosten zonder dat zij inzichtelijk hoeven te maken wat de daadwerkelijke kosten zijn van de door hen verrichte incassohandelingen. Indien de daadwerkelijk incassokosten hoger zijn, kan de onderneming ook aanspraak maken op vergoeding van zijn aanvullende kosten. Bedingen die het recht op incassokosten uitsluiten of lager dan EUR 40 stellen, worden vermoed kennelijk onredelijk te zijn en zijn niet afdwingbaar. Met betrekking tot incassokosten geldt voor het overige sinds 1 juli 2012 de Wet Incassokosten, die voor ondernemingen van regelend recht is; zij geldt, tenzij ondernemingen overeenkomen daarvan af te wijken.

Betalingstermijn: B2B

Als partijen niets overeengekomen zijn, geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Na verloop van die termijn gaat de wettelijke handelsrente lopen. Nieuw is het maximum van 60 dagen, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere termijn van betaling in de overeenkomst opnemen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser. Voor de vraag wat kennelijk onbillijk is, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen waaronder: (i) de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 60 dagen termijn, (ii) de aard van de prestatie en (iii) elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken. Daarmee geldt nog steeds contractsvrijheid met dien verstande dat die contractsvrijheid wordt begrenst door kennelijk onbillijke afspraken.

Betalingstermijn: Overheidsinstanties

Als partijen niets overeengekomen zijn, geldt een betalingstermijn voor overheidsinstanties van 30 dagen. Na verloop van die termijn gaat de wettelijke handelsrente lopen. Verder bepaalt de wet expliciet dat bij overeenkomst niet van een uiterste dag van betaling van ten hoogste 30 dagen kan worden afgeweken, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere dag termijn van betaling in de overeenkomst opnemen en de bijzondere aard van of eigenschappen van de overeenkomst dit objectief rechtvaardigen. Die laatste toevoeging betekent dat overheidsinstanties slechts in uitzonderlijke gevallen een langere betalingstermijn kunnen overeenkomen en dat de mogelijkheid tot een langere termijn er niet is voor overeenkomsten die overheidsinstanties dagelijks of regelmatig sluiten. Indien verlenging wel gerechtvaardigd is, bedraagt de betalingstermijn ten hoogste 60 dagen.

Verificatieperiode

Het huidige artikel 6:119a lid 2 sub c BW bepaalt dat indien partijen geen betalingstermijn zijn overeengekomen de wettelijke handelsrente begint te lopen indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij de ontvangen prestatie kan aanvaarden of beoordelen en hij de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft ontvangen of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de dag waarop de schuldenaar de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld of indien de schuldenaar de prestatie niet aanvaard of beoordeeld vanaf dertig dagen na de dag waarop de termijn verstrijkt. Deze situatie wordt aangeduid als de verificatieperiode die een schuldenaar kan bedingen. Tot nu toe was een verificatieperiode niet gemaximeerd en gold daar contractsvrijheid.

De nieuwe wettelijke bepalingen bevatten voor B2B in artikel 6:119a lid 4 BW (nieuw) een maximum verificatieperiode van 30 dagen, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere verificatieperiode in de overeenkomst opnemen. Partijen kunnen een langere termijn overeenkomen indien deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser. Voor de vraag wat kennelijk onbillijk is, moeten ook hier weer alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen waaronder: (i) de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 30 dagen termijn, (ii) de aard van de prestatie en (iii) elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken.

De nieuwe wettelijke bepalingen bevatten voor overheidsinstanties in artikel 6:119b lid 5 BW (nieuw) een maximum verificatieperiode van 30 dagen, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere verificatieperiode in de overeenkomst opnemen. Ook hier geldt voor overheidsinstanties dat die langere termijn slechts overeengekomen kan worden indien de bijzondere aard van of eigenschappen van de overeenkomst dit objectief rechtvaardigen; overheidsinstanties kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen een langere betalingstermijn overeenkomen. Indien verlenging wel gerechtvaardigd is, bedraagt de betalingstermijn ook ten aanzien van verificatie ten hoogste 60 dagen.

Volgens de wetgever kan een langere termijn dan 30 dagen bijvoorbeeld bij complexe producten of diensten worden overeenkomen. Te denken valt aan ICT-producten of -diensten die geleverd zijn en waarvan niet binnen een termijn van 30 dagen kan worden vastgesteld of deze beantwoorden aan de overeenkomst gelet op de complexiteit van het geleverde product of de geleverde dienst. In dat geval zal de aard van de prestatie een langere verificatietermijn rechtvaardigen en zullen partijen in de overeenkomst een termijn kunnen opnemen die in de ICT-praktijk gebruikelijk is voor de verificatie van ICT-producten en -diensten.

Uitdrukkelijk opnemen

De nieuwe wettelijke bepalingen bevatten ten aanzien van B2B, overheid en verificatie de woorden: “uitdrukkelijk opnemen” met betrekking tot het overeenkomen van een langere termijn. Alhoewel de toelichting niet volledig is ten aanzien van de uitleg daarvan, is het aannemelijk dat de daarover gehanteerde uitleg geldt ten aanzien van alle in de nieuwe wet genoemde onderwerpen. Daarbij geldt dat met uitdrukkelijk overeenkomen zowel wordt bedoeld dat partijen in onderling overleg een langere termijn afspreken als het expliciet opnemen van een langere termijn in de overeenkomst. Volgens de toelichting is het niet voldoende dat een dergelijke langere termijn in de algemene voorwaarden van een partij staat en dat deze algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard. In dat geval zal het beding in de algemene voorwaarden niet geldig zijn en buiten toepassing moeten blijven. Dan wordt teruggevallen op de wettelijke termijn.

Overgangsrecht

De nieuwe regeling geldt niet voor overeenkomsten, die zijn gesloten voor 16 maart 2013, maar slechts voor overeenkomsten die op of na 16 maart 2013 worden gesloten.

Het kabinet heeft in de aanloop van deze wetgeving de betalingstermijn in de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden (ARIV), de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten diensten (ARVODI) en de Algemene Rijksvoorwaarden bij ICT-overeenkomsten ten aanzien van de inkoop van ICT-producten en ICT-diensten (ARBIT) reeds opgenomen dat binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur wordt betaald.

Recent Posts
  • 8 september 2017

    Een rechter die het functioneren van een werknemer beoordeelt?

    Marion Hagenaars
    Een werknemer die zijn beoordeling bij de rechter aanvecht. De rechter zal zich toch afgevraagd hebben: wat moet ik als buitenstaander vinden van het functioneren van een werknemer? Toch wijst de rechter de vordering van de werknemer toe. Het salaris wordt met terugwerkende kracht verhoogd. Werknemer is portfolio manager bij een bedrijf voor professionele reiniging
    Lees verder
  • 28 augustus 2017

    Waar gaat u naar toe met een internationaal IT-geschil?

    Hanneke Slager
    Van ICC naar NCC. Of toch maar liever SGOA?
    Lees verder
  • 11 augustus 2017

    Hoge bomen…stellen hun eigen verbeterplan op…

    Marion Hagenaars
    Niet alle rechters zijn het met elkaar eens, maar deze rechter is in ieder geval van oordeel dat een werkneemster verantwoordelijk is voor haar eigen verbeterplan. Wanneer is ontslag vanwege disfunctioneren mogelijk? Er moet natuurlijk sprake zijn van disfunctioneren. Maar daarnaast moet de werknemer hiervan tijdig in kennis zijn gesteld, moet de werknemer in voldoende
    Lees verder

Plaats een reactie