Afspraken omtrent een vierde arbeidsovereenkomst onder de loep

 in Arbeidsrecht

Op grond van het Nederlandse arbeidsrecht wordt, uitzonderingen daargelaten, iedere vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Een werkgever en een werknemer hebben bij het sluiten van een vierde arbeidsovereenkomst afgesproken dat de laatste arbeidsovereenkomst na iets meer dan 10 maanden zou eindigen. Dit is juridisch onder voorwaarden mogelijk, mits partijen dit goed vastleggen. De betreffende werkgever diende echter eerst een aantal gerechtelijke hobbels te nemen voordat de “constructie” werd gehonoreerd. De feiten waren als volgt. De werknemer wenste op 61-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Dit bleek evenwel niet mogelijk. Om de werknemer bij deze tegenvaller tegemoet te komen en hem de tijd te gunnen een nieuwe baan te vinden, heeft de werkgever voorgesteld een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten onder de voorwaarde dat deze na ruim 10 maanden zou eindigen. Partijen hebben hiertoe een (nieuwe) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten en daarin verwezen naar aanvullende afspraken in een aangehechte vaststellingsovereenkomst over de duur en beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Net voor de beoogde beëindigingsdatum kwam de werknemer terug op de afspraken en stelde zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst nietig was, omdat het in strijd zou zijn met artikel 7:668a BW, een wettelijke bepaling met een dwingendrechtelijk karakter. In dit artikel is onder meer bepaald dat iedere vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch wordt omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer wendde zich tot de kantonrechter ‘s-Hertogenbosch, die het standpunt van de werknemer volgde. De kantonrechter verwees hierbij naar de preambule van de vaststellingsovereenkomst waarin was opgenomen dat de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen zou verlengen indien de beëindigingsdatum op voorhand bekend zou zijn en de werknemer zich realiseerde dat hij wel akkoord moest gaan. Partijen zouden volgens de kantonrechter zijn afgeweken van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:668a BW, hetgeen niet is toegestaan omdat hiermee de werknemersbescherming van dit artikel zinloos zou worden. De werkgever had zekerheidshalve de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht en de kantonrechter ontbond vervolgens de overeenkomst onder toekenning van een vergoeding van € 49.000,- bruto aan de werknemer. Een opmerkelijke uitspraak van de kantonrechter en dat vond het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gelukkig ook.

De verwijzing van de kantonrechter naar artikel 7:668a BW gaat immers niet op. Dit artikel betreft de omzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een overeenkomst voor onbepaald tijd en dat was hier niet aan de orde. Partijen waren namelijk een overeenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen en hebben vervolgens afspraken gemaakt over de beëindiging daarvan. Voor het gerechtshof was duidelijk wat partijen beoogd hadden. Deze partijbedoeling kon, anders dan het oordeel van de kantonrechter, worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Een dergelijke overeenkomst wordt gesloten ter voorkoming van een (toekomstige) onzekerheid of geschil over hetgeen tussen partijen geldt en dat was hier ook aan de orde. Het einde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft een onzekerheid indien daarover op voorhand niets wordt afgesproken. Nu partijen dit rechtsgeldig hadden vastgelegd, was de arbeidsovereenkomst per de overeengekomen beëindigingsdatum beëindigd en hoefde de werkgever de ontbindingsvergoeding van € 49.000,- bruto niet te betalen.

Deze uitspraak leert ons dat het belangrijk is in (de preambule van) de vaststellingsovereenkomst helder uiteen te zetten wat de bedoeling is van partijen. Voorkom daarbij dat de schijn wordt gewekt dat dwingendrechtelijke bepalingen worden omzeild. In deze kwestie heeft dat geleid tot een veroordelende uitspraak van de kantonrechter. Dit is weliswaar gerepareerd door het gerechtshof, maar een secuur opgestelde vaststellingsovereenkomst had hoogstwaarschijnlijk een hoger beroep en misschien zelfs ook de procedure in eerste aanleg kunnen voorkomen. Het is raadzaam om van de praktijk afwijkende afspraken zoals de onderhavige goed onder de loep te nemen voordat een handtekening wordt gezet. Vanzelfsprekend kunnen wij u hierbij bijstaan.

Bron: Arrest Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3442

Recente berichten
  • 8 juni 2022

    Vakantiedagen tijdens ziekte, een hoofdpijndossier

    Marion Hagenaars
    “Op vakantie naar Ibiza als je ziek bent, zonder dat deze dagen worden afgeboekt, is dat niet gek?”, werd mij de week gevraagd. Met de zomervakantie in zicht een actueel vraagstuk.  Vakantiedagen, zo eenvoudig is het niet Vakantiedagen, het lijkt zo eenvoudig: je bouwt ze eerst op en daarna neem je ze op. Maar de
    Lees verder
  • 25 mei 2022

    Besmette persoonsgegevens – De Ziggo soap

    Sil Kingma
    Klanten van Ziggo ontvingen afgelopen week een email met de aankondiging dat zij de prijs van haar abonnement met 3,50 Euro gaat verlagen. Sympathiek zou je denken. Er bleek echter een addertje onder het gras te zitten.  In diezelfde email kondigde Ziggo aan haar algemene voorwaarden per 1 juli as eenzijdig aan te passen. Bij
    Lees verder
  • 16 mei 2022

    AP voert cumulatieve boetebevoegdheid maximaal door

    Sil Kingma
    Het is voor het eerst de geschiedenis dat de Autoriteit Persoonsgegevens in een besluit een zestal overtredingen van de AVG constateert. Alle overtredingen hebben betrekking op het gebruik en de beveiliging door de Belastingdienst van haar applicatie Fraude Signalering Voorziening (FSV). FSV was een applicatie waarin signalen werden opgenomen over vastgestelde fraude en signalen die konden wijzen
    Lees verder

Plaats een reactie

Top